Dag Nele,
Eh bien voilà, het hele verhaal. Hopelijk hou je van het slot. (ik ben er weer niet in geslaagd het hier met de juiste interlinie neer te zetten, maar ik heb al door dat dat niet echt geeft. Jij zorgt er wel voor in je ontwerpen dat het er staat zoals het er goed staat.
(maar als het toch geeft... weet je wat, ik stuur het ook als attachment naar je via email, dan lukt het wel)
Dus nu helemaal aan jou om alles af te werken. Ik ben zeer benieuwd.
Liefs,
Els
Lelijke prins - Els Beerten
1.
Stel.
Rosa en ik op het perron. Alleen wij twee, verder geen kat.
Rosa staat bij de sporen. Haar voeten wankelen net voor de rand. Ik sta achter haar.
Die dag, op weg naar huis.
Even voorbij Brussel kwam ze naast me zitten. Of ze uit een boek kwam. Een boek met enkel mooie plaatjes. En of ik een idee had hoeveel haltes nog.
Jazeker, zei ik.
Wat een geluk, zei ze. Zij wist niks van de Kempen. En of ik elke dag de trein naar Brussel nam.
En weer terug ook, zei ik.
Dat komt goed uit, lachte ze vrolijk.
Waarom, wilde ik vragen maar ik zweeg. Ik draaide mijn hoofd en keek weer verder door het raam naar buiten. Boven de velden zag ik haar gezicht naar me glimmen. Ik kon mijn ogen sluiten. Ik kon mijn krant lezen. Hardnekkig mijn nagels bestuderen. Opstaan en in de volgende coupé gaan zitten. Ik deed niks van dat alles. Ik bleef maar naar de velden kijken. Ik wilde haar zien glimmen, blinken, schitteren. Ze lichtte alles daarbuiten op, de onnozele bleke velden, de mislukte tuinhuizen onderweg, de scharminkels van kippen voorbij de sporen. Dat één mens dat kon. En dat die mens voor me zat.
Onze halte, zei ik.
Ze volgde me naar buiten, over het perron, door de voetgangerstunnel naar de parking, haar arm bijna door de mijne. Ik kreeg het er warm van, hoezeer ze me volgde.
Het is allemaal de schuld van mijn moeder.
Ten eerste heeft zij me gemaakt. En ten tweede, ze heeft dat niet goed gedaan. Ik kwam er niet meteen achter. Jarenlang heb ik in elke spiegel gekeken die ik tegenkwam. Voor het geval de vorige loog. En de vorige vorige. Tenslotte had ik het door: ik was een lelijk jongetje. Het was geen opluchting.
Op elk potje past een deksel. Dat zei ze zo vaak dat ik het begon te geloven. Dat ik geen deksel had.
Ze heette Rosa, zei ze. En of ik wist waar de Lange Lindenweg liep.
Jazeker, zei ik. Ik ben toch van hier.
Ze stak haar arm door de mijne. Of ik met de auto was?
Ik ben te voet, zei ik. De Lange Lindenweg?
Mijn uitleg omvatte zoveel omwegen dat ze me vroeg om met haar mee te lopen. Mijn naam is Boudewijn, zei ik.
Zoals de koning, zei ze.
Die is allang dood.
Maar jij niet, lachte ze.
En ondertussen liep ik naast haar door de velden, al mijn omwegen voorbij.
Ik vroeg me af hoe ík zou zijn. Als ik haar was, bedoel ik. Of ik mezelf ook zo zou vertrouwen, mijn arm door de hare, mijn lach in haar oor.
We sloegen de Lange Lindenweg in. Ondertussen wist ik dat ze a) enig kind was, b) enig kleinkind, c) haar grootmoeder net overleden was en d) zij het lege huis op nummer elf had geërfd met alles erop en eraan.
Je mag me kussen, zei ze toen we voor het lege huis stonden.
Ik zei niet dat ik lelijk was. Ik kuste haar.
En nu, vroeg ze.
En nu niks, zei ik.
Hoezo, en nu niks, zei ze, zo traag dat ik dacht dat haar hoofd was leeggelopen.
Als ze niet zo geglimlacht had.
Die avond.
Ik heb een lief, zei ik tegen mijn moeder.
Ach, zei mijn moeder. Ze haalde de duurste wijn uit de kelder, want het was feest voor haar jongen. Haar lelijke prins was in een sprookje gestapt.
Stel. Dat we daar zo staan bij de rand.
2.
Vanmorgen, onderweg naar Brussel.
Ze zat naast mij, haar handen in de mijne. Even voor Brussel opende ze haar tas. Dat doet ze elke ochtend, even voor Brussel. En zoals elke vorige ochtend toverde ze een ondoorschijnende plastic zak uit haar tas. Je boterhammen, lieveling, zei ze.
De zak is altijd ondoorschijnend. Ze wil namelijk dat het een verrassing blijft voor mij. Wat erin zit, bedoel ik. Of beter: ertussen. Kaaschocovleestomatenslakopcurrymosterdbasilicumhagelslagmuntblaadjesconfituurmetbosbessenofrabarber. Vanmorgen had ze gekozen voor tomaten en mozzarella en basilicum. Ik rook het meteen terwijl ik de zak in mijn tas stopte. Dankjewel, zei ik.
Dankjewel wie, zuchtte ze.
Dankjewel schat, zei ik.
Elke morgen hetzelfde spel. Eerst de handen, dan de zak en de lieveling, dan de zucht en tenslotte de schat. Ze wil lieveling horen. Maar ik kán het niet. Het woord stinkt in mijn mond, wat zou ik het dan naar buiten duwen. De hele coupé vol zwarte zwavel. Iedereen in rook opgelost. Iedereen.
Het is met ál mijn liefde klaargemaakt, zei ze.
Het zijn nooit de woorden. Het is de blik die bij die woorden hoort. Alsof ze het me kwalijk neemt. Dat het met al haar liefde is, bedoel ik. Terwijl ik er niet eens om gevraagd heb. Het mag best met de helft van haar liefde zijn. Of met een kwart.
En trouwens. Het is háár idee. Van het brood in de zak.
Ik weet wat ze wil.
Ze wil dat ik ook een ondoorschijnende zak voor haar bedenk. En liefst één elke ochtend. Maar ik ben niet zo’n mens die dat soort dingen onderneemt.
Ik heb het haar gevraagd.
Vanmorgen. Eindelijk vond ik de moed.
Waarmee wil je dat ik je verras? Schat?
Ze keek me zo verbaasd aan. Ach, lieveling toch.
Ik las het in haar ogen. Hoe graag ze me zag. En dat ze het eerlijk gezegd niet wist. Hoe ik haar kon verrassen. Bijna draaide ik weer mijn hoofd naar het raam, om haar te zien schitteren boven de velden. Bijna. Als ze verder gezwegen had.
Maar ze opende haar mond. Haar volle zoete lippen.
Trouw met mij, zei ze.
Trouw met mij, herhaalde ik.
Wat anders, zei ze.
Waarom in godsnaam, wilde ik vragen.
Ik wil kinderen, zei ze. Twee. Rosa en Boudewijn. Als in een sprookje.
Bijna trok ik aan de noodrem. Sprong ik eruit. Verdween voor altijd in de onnozele bleke velden. Ze legde haar hand op de mijne. De Lange Lindenweg, zei ze, daar is plaats genoeg voor ons allemaal.
Ze had gelijk, dat was nog het ergste.
Stel. Rosa en ik op het perron. Alleen. Zij wankelt even.
3.
Mijn moeder begrijpt het niet. Volgens haar ben ik geestelijk gestoord. Jazeker, zo heeft ze me genoemd. Inderdaad, niet te geloven. Ik zou zelfs durven zeggen: onbeschoft. Dat is ze. Want een moeder noemt haar kind niet zo. Niet zó.
Maar u hebt het waarschijnlijk al door. Mijn moeder is niet zoals alle anderen.
Ik belde haar meteen toen ik op mijn werk aankwam.
Ze wil trouwen, zei ik.
Jongen toch, zuchtte ze, ze is de hoofdprijs in de lotto, dat je dat nog steeds niet doorhebt.
Moeder!
Je ziet haar niet graag. Is het dat?
Ik zie haar doodgraag!
Je bent niet goed wijs, zei ze.
Dat héb je me al gezegd.
Ze zweeg even. Ik meen het, Boudewijn. En toen zweeg ze zolang dat ik de verbinding verbrak.
Als ze toen niet binnen kwam. Rosa. Ze was me gevolgd, zonder dat ik het in de gaten had. De lift genomen, de vijftiende verdieping uitgestapt. Dat ze zomaar wist dat het de vijftiende was. En niet de elfde of de zeventiende, bijvoorbeeld.
Wat doe je hier, vroeg ik.
Kijk niet zo schaapachtig, zei ze. En kus me. kusme kusme kusme.
Niet nú, Rosa.
Ze keek even om zich heen. Een kantoor voor jezelf, zei ze, helemaal voor jezelf alleen. Kijk, ik draai de sleutel om, zei ze, en ze deed het, en ze trok al haar kleren uit, en ik zag hoe het licht dat langs de ramen naar binnen stroomde, haar huid oplichtte alsof ze doorzichtig was, bleek en rozig en doorzichtig, en zo levend als niks anders dat ik kende. Ik had er nooit eerder bij stil gestaan dat een huid ook een leven had.
Nee, zei ik.
Haar ogen. Alsof ze me wilden verslinden.
Haar ogen in de diepte. De sporen onder ons.
4.
Niet zo, zei ik.
Ze fronste haar voorhoofd.
Lieveling, zei ik.
Dat ik dat zomaar zei. Ze glimlachte breed alsof ze alle oorlogen tegelijk gewonnen had en wel voorgoed.
Nee, zei ik snel.
Ik weet wat je wil, zei ze, en ze vouwde haar bleke rozige levende vel om het mijne heen. Je zult niet verdwijnen, zei ze, wees maar niet bang.
Zo verliep de ochtend, de middag ook. Haar vel om het mijne, urenlang. Pas na de lunch draaide ze weer de sleutel om.
Niemand had al die tijd op de deur geklopt. Het was een wonder.
Ze wankelt niet. Zíj niet.
5.
Op de trein naar huis zit ze naast me.
Was de lunch lekker, lieveling, vraagt ze, haar handen in de mijne. Heb je ervan genoten?
Ik zwijg.
Ik anders wel, jubelt ze in mijn oor.
De velden glimmen onder haar glinstering, ik moet er maar naar kijken.
Boudewijn?
Ik mag mijn hoofd nu niet omdraaien. Rustig maar. Gewoon blijven ademen. Mijn handen zacht om de hare, niet knijpen, niet vermorzelen die vingers, blijven glimlachen. Haar glimlach voelen en die beantwoorden. Een leven lang.
We stappen uit. Het is avond. Geen kat. Alleen wij twee. En een late trein.
Ik duw.
Els Beerten






