vrijdag 22 februari 2008

Hey Nele,

de illustratie van bij de trein vind ik ab-so-luut de max. Echt erg knap. Ook wat je met de woorden hebt gedaan (aan de leesbaarheid bij die zwarte achtergrond doe je ongetwijfeld nog wel iets, vermoed ik). De illustratie van die schoenen vind ik veel minder. Niet enkel de schoenen zelf, zeker ook de nadruk die je op de zinnen in dat stuk legt door de verschillende typografie telkens; dat ligt me echt niet.

Als schrijver wil ik de lezer gewoonlijk uitnodigen zijn eigen conclusies te trekken bij mijn zinnen. Zoals je het bij die eerste illustratie aanpakt, dat geeft mij het gevoel dat je de lezer bij het handje neemt en hem (m/v) zegt: 'Beste lezer, zó moet u dit interpreteren.' Ik ben een schrijver van de suggestie. En wat geweldig als een illustrator daaraan een meerwaarde kan geven. Dat doe je dus schitterend in die tweede die je hierbij voegt. Ik ben er nog niet helemaal achter waarom de typografie me totaal niet stoort bij die tweede. Misschien heeft het te maken met het feit dat de zinnen bij de eerste tekst vrij existentieel zijn over de jongen zelf.
Misschien is het iets anders, ik kom er nog wel achter.

Ben benieuwd naar je volgende illustratie, bij het stuk rond de broodzak e.d. Als dat op de blog staat, kom ik uit de kast met vervolg tekst, goed?

Liefs,

Els.

maandag 18 februari 2008

nieuwe ontwerpen

Hoihoi,

Ik ga morgen eens navragen hoe je die tekst er te goei op kunt krijgen want ik weet niet waar het aan ligt.

Ik heb een nieuw ontwerp voor de pagina van de lelijke jongen. In de 'Stel' pagina's heb ik schoenen gebruikt, hier heb ik een exemplaar lelijke schoenen voor de spiegel, die staan voor de gedachte van de jongen dat hij lelijk is.

Ik wil een verschil in stijl weergeven tussen de 'Stel' pagina's, de andere gedachten van de jongen zoals in de stukken dat hij het over zijn moeder heeft en de stukken dat hij bij Rosa, de dialogen. Dus deze pagina (het nieuwe ontwerp) probeer ik meer typografisch op te lossen en met iets minder illustratie.



Bij dit nieuw probeersel van de pagina als Rosa langs de jongen in de trein gaat zitten is de stijl dus ook wat anders, maar staat nog niet op punt.



Een halte na Brussel richting de Kempen is Mechelen, reclame van dingen in Turnhout...

en nu hup op naar het vervolg

groetjes Nele

(ik snap niet wat ik nu weer fout doe ;-( ik krijg de tekst niet op de blog zoals die in mijn bestand staat, nochtans doe ik enkel copy/paste.)

soit. ik stuur ze je alvast op)


Els





Lelijke prins - Els Beerten

1.

Stel.

Rosa en ik op het perron. Alleen wij twee, verder geen kat.

Rosa staat bij de sporen. Haar voeten wankelen net voor de rand. Ik sta achter haar.

Die dag, op weg naar huis.

Even voorbij Brussel kwam ze naast me zitten. Of ze uit een boek kwam. Een boek met enkel mooie plaatjes. En of ik een idee had hoeveel haltes nog.

Jazeker, zei ik.

Wat een geluk, zei ze. Zij wist niks van de Kempen. En of ik elke dag de trein naar Brussel nam.

En weer terug ook, zei ik.

Dat komt goed uit, lachte ze vrolijk.

Waarom, wilde ik vragen maar ik zweeg. Ik draaide mijn hoofd en keek weer verder door het raam naar buiten. Boven de velden zag ik haar gezicht naar me glimmen. Ik kon mijn ogen sluiten. Ik kon mijn krant lezen. Hardnekkig mijn nagels bestuderen. Opstaan en in de volgende coupé gaan zitten. Ik deed niks van dat alles. Ik bleef maar naar de velden kijken. Ik wilde haar zien glimmen, blinken, schitteren. Ze lichtte alles daarbuiten op, de onnozele bleke velden, de mislukte tuinhuizen onderweg, de scharminkels van kippen voorbij de sporen. Dat één mens dat kon. En dat die mens voor me zat.

Onze halte, zei ik.

Ze volgde me naar buiten, over het perron, door de voetgangerstunnel naar de parking, haar arm bijna door de mijne. Ik kreeg het er warm van, hoezeer ze me volgde.

Het is allemaal de schuld van mijn moeder.

Ten eerste heeft zij me gemaakt. En ten tweede, ze heeft dat niet goed gedaan. Ik kwam er niet meteen achter. Jarenlang heb ik in elke spiegel gekeken die ik tegenkwam. Voor het geval de vorige loog. En de vorige vorige. Tenslotte had ik het door: ik was een lelijk jongetje. Het was geen opluchting.

Op elk potje past een deksel. Dat zei ze zo vaak dat ik het begon te geloven. Dat ik geen deksel had.

Ze heette Rosa, zei ze. En of ik wist waar de Lange Lindenweg liep.

Jazeker, zei ik. Ik ben toch van hier.

Ze stak haar arm door de mijne. Of ik met de auto was?

Ik ben te voet, zei ik. De Lange Lindenweg?

Mijn uitleg omvatte zoveel omwegen dat ze me vroeg om met haar mee te lopen. Mijn naam is Boudewijn, zei ik.

Zoals de koning, zei ze.

Die is allang dood.

Maar jij niet, lachte ze.

En ondertussen liep ik naast haar door de velden, al mijn omwegen voorbij.

Ik vroeg me af hoe ík zou zijn. Als ik haar was, bedoel ik. Of ik mezelf ook zo zou vertrouwen, mijn arm door de hare, mijn lach in haar oor.

We sloegen de Lange Lindenweg in. Ondertussen wist ik dat ze a) enig kind was, b) enig kleinkind, c) haar grootmoeder net overleden was en d) zij het lege huis op nummer elf had geërfd met alles erop en eraan.

Je mag me kussen, zei ze toen we voor het lege huis stonden.

Ik zei niet dat ik lelijk was. Ik kuste haar.

En nu, vroeg ze.

En nu niks, zei ik.

Hoezo, en nu niks, zei ze, zo traag dat ik dacht dat haar hoofd was leeggelopen.

Als ze niet zo geglimlacht had.

Die avond.

Ik heb een lief, zei ik tegen mijn moeder.

Ach, zei mijn moeder. Ze haalde de duurste wijn uit de kelder, want het was feest voor haar jongen. Haar lelijke prins was in een sprookje gestapt.

Stel. Dat we daar zo staan bij de rand.

2.

Vanmorgen, onderweg naar Brussel.

Ze zat naast mij, haar handen in de mijne. Even voor Brussel opende ze haar tas. Dat doet ze elke ochtend, even voor Brussel. En zoals elke vorige ochtend toverde ze een ondoorschijnende plastic zak uit haar tas. Je boterhammen, lieveling, zei ze.

De zak is altijd ondoorschijnend. Ze wil namelijk dat het een verrassing blijft voor mij. Wat erin zit, bedoel ik. Of beter: ertussen. Kaaschocovleestomatenslakopcurrymosterdbasilicumhagelslagmuntblaadjesconfituurmetbosbessenofrabarber. Vanmorgen had ze gekozen voor tomaten en mozzarella en basilicum. Ik rook het meteen terwijl ik de zak in mijn tas stopte. Dankjewel, zei ik.

Dankjewel wie, zuchtte ze.

Dankjewel schat, zei ik.

Elke morgen hetzelfde spel. Eerst de handen, dan de zak en de lieveling, dan de zucht en tenslotte de schat. Ze wil lieveling horen. Maar ik kán het niet. Het woord stinkt in mijn mond, wat zou ik het dan naar buiten duwen. De hele coupé vol zwarte zwavel. Iedereen in rook opgelost. Íedereen.

Misschien moet ik het toch maar eens proberen.

Het is met ál mijn liefde klaargemaakt, zei ze.

Het zijn nooit de woorden. Het is de blik die bij die woorden hoort. Alsof ze het me kwalijk neemt. Dat het met al haar liefde is, bedoel ik. Terwijl ik er niet eens om gevraagd heb. Het mag best met de helft van haar liefde zijn. Of met een kwart.

En trouwens. Het is háár idee. Van het brood in de zak.

Ik weet wat ze wil.

Ze wil dat ik ook een ondoorschijnende zak voor haar bedenk. En liefst één elke ochtend. Maar ik ben niet zo’n mens die dat soort dingen onderneemt.

Ik heb het haar gevraagd.

Vanmorgen. Eindelijk vond ik de moed.

Waarmee wil je dat ik je verras? Schat?

Ze keek me zo verbaasd aan. Ach, lieveling toch.

Ik las het in haar ogen. Hoe graag ze me zag. En dat ze het eerlijk gezegd niet wist. Hoe ik haar kon verrassen. Bijna draaide ik weer mijn hoofd naar het raam, om haar te zien schitteren boven de velden. Bijna. Als ze verder gezwegen had.

Maar ze opende haar mond. Haar volle zoete lippen.

Trouw met mij, zei ze.

Trouw met mij, herhaalde ik.

Wat anders, zei ze.

Waarom in godsnaam, wilde ik vragen.

Ik wil zo graag kinderen, zei ze. Twee. Rosa en Boudewijn. Als in een sprookje.

Bijna trok ik aan de noodrem. Sprong ik eruit. Verdween voor altijd in de onnozele bleke velden. Ze legde haar hand op de mijne. De Lange Lindenweg, zei ze, daar is plaats genoeg voor ons allemaal.

Ze had gelijk, dat was nog het ergste.

Stel. Rosa en ik op het perron. Alleen. Zij wankelt even.

Eigen accent

Dag Nele,

hieronder de gewijzigde (en wat mij betreft definitieve) versie van de eerste bladzijden, zoals ik ze je vrijdag voorgelegd had.


Nu is het dus wachten op je nieuwe versie van 'het lelijke jongetje / spiegel'.
Ik stel voor dat ik met de tekst verder ga nadat ik ook je ontwerp(en) heb gezien bij het stukje over 'vanmorgen'.
Ik ben echt heel benieuwd. Ik kan me heel erg vinden in je ontwerpen met die voeten en ook die met de treincoupé, hoop dat je in die richting verder gaat. Niks uitleggen, maar toevoegen. Ik vind dat zo verrassend en boeiend om te zien, waar jij dan je accenten legt.

Liefs,
Els.

dinsdag 5 februari 2008

En nu wat commentaar bij je ontwerpen.
De tweede (stel) heeft naar mijn gevoel meer spanning dan de eerste (stel), maar ik vind dat groen van de eerste dan weer zo mooi, en die eerste heeft ook meer om in 'rond te lopen'.

De illustratie bij 'lelijk jongetje'(btw, er staan geen ... achter lelijk jongetje in de tekst - ik hou niet van dat beletselteken (...) , ik probeer dat zoveel mogelijk te vermijden, het lijkt en is vaak (niet altijd) een onmacht van de schrijver om te zeggen wat hij te zeggen heeft. Ik vind een punt veel krachtiger.
Ik word meteen geboeid door die illustratie. Ik vergroot ze meteen omdat ze me nieuwsgierig maakt. Leuk!
Ik kijk even op, schrik (bij wijze van spreken) even van het feit dat je het jongetje weergeeft als 'echt niet zo mooi'. In mijn verbeelding is hij nl niet speciaal lelijk. Maar het geeft niet. Toch misschien iets om over na te denken, wat als hij toch mooi is maar het niet door heeft? Maakt dat de illustratie niet nog 'treffender' en meer fascinerend?
De stijl is wel iets helemaal anders dan in het eerste ontwerp. Wringt dat niet een beetje?
Of vergis ik me, in al mijn onnozele kennis van stijlen?

En nu naar bed naar bed, zei duimelot.

Tot een van de volgende weer.

x Els

Nieuwe poging

Ha Nele,
voilà, opnieuw geprobeerd. Kan er niet goed tegen dat het er niet staat zoals ik het wil. En 't is gelukt (jeuh).


Lelijke prins -

1.

Stel.
Rosa en ik op het perron. Alleen wij twee, verder geen kat.
Rosa staat bij de sporen. Haar voeten wankelen net voor de rand. Ik sta achter haar.

Het is allemaal de schuld van mijn moeder.
Ten eerste heeft zij me gemaakt. En ten tweede, ze heeft dat niet goed gedaan. Ik kwam er niet meteen achter. Jarenlang heb ik in elke spiegel gekeken die ik tegenkwam. Voor het geval de vorige loog. En de vorige vorige. Tenslotte had ik het door: ik was een lelijk jongetje. Het was geen opluchting.
Op elk potje past een deksel. Dat zei ze zo vaak dat ik het begon te geloven. Dat ik geen deksel had.

Die dag.
Rosa zag eruit als een filmster. In de trein kwam ze tegenover me zitten. Of ik een idee had hoeveel haltes nog.
Jazeker, zei ik.
Ze kwam van Brussel, zei ze, wat wist ze van de Kempen. En of ik elke dag de trein naar Brussel nam.
En weer terug ook, zei ik.
Jij bent van de Kempen, zei ze vrolijk. Dat komt goed uit.
Waarom, wilde ik vragen maar ik zweeg. Ik draaide mijn hoofd en keek weer verder door het raam naar buiten. Boven de velden zag ik haar gezicht naar me glimmen. Ik kon mijn ogen sluiten. Ik kon mijn krant lezen. Hardnekkig mijn nagels bestuderen. Opstaan en in de volgende coupé gaan zitten. Ik deed niks van dat alles. Ik bleef maar naar de velden kijken. Ik wilde haar zien glimmen, blinken, schitteren. Ze lichtte alles daarbuiten op, de onnozele bleke velden, de mislukte tuinhuizen onderweg, de scharminkels van kippen voorbij de sporen. Dat één mens dat kon. En dat die mens voor me zat.
Onze halte, zei ik.
Ze volgde me naar buiten, over het perron, door de voetgangerstunnel naar de parking, haar arm bijna door de mijne. Ik kreeg het er warm van, hoezeer ze me volgde.
Ze heette Rosa, zei ze. En of ik wist waar de Lange Lindenweg liep.
Jazeker, zei ik. Ik ben toch van hier.
Ze stak haar arm door de mijne. Of ik met de auto was?
Ik ben te voet, zei ik. De Lange Lindenweg?
Ze had er een huis geërfd.
Mijn uitleg omvatte zoveel omwegen dat ze me vroeg om met haar mee te lopen. Mijn naam is Boudewijn, zei ik.
Zoals de koning, zei ze.
Die is allang dood.
Maar jij niet, lachte ze.
En ondertussen liep ik naast haar door de velden, al mijn omwegen voorbij.
Ik vroeg me af hoe ík zou zijn. Als ik haar was, bedoel ik. Of ik mezelf ook zo zou vertrouwen, mijn arm door de hare, mijn lach in haar oor.
We sloegen de Lange Lindenweg in. Ondertussen wist ik dat ze a) enig kind was, b) enig kleinkind, c) haar grootmoeder net overleden was en d) zij het lege huis had geërfd met alles erop en eraan.
Je mag me kussen, zei ze toen we voor het lege huis stonden.
Ik zei niet dat ik lelijk was. Ik kuste haar.
En nu, vroeg ze.
En nu niks, zei ik.
Hoezo, en nu niks, zei ze, zo traag dat ik dacht dat haar hoofd was leeggelopen.
Als ze niet zo geglimlacht had.

Die avond.
Ik heb een lief, zei ik tegen mijn moeder.
Ach, zei mijn moeder. Ze haalde de duurste wijn uit de kelder, want het was feest voor haar jongen. Haar lelijke prins was in een sprookje gestapt.

Stel. Dat we daar zo staan bij de rand.


2.

Vanmorgen, onderweg naar Brussel.
Ze zat naast mij, haar handen in de mijne. Even voor Brussel opende ze haar tas. Dat doet ze elke ochtend, even voor Brussel. En zoals elke vorige ochtend diepte ze een ondoorschijnende plastic zak op uit haar tas. Je boterhammen, lieveling, zei ze.
De zak is altijd ondoorschijnend. Ze wil namelijk dat het een verrassing blijft voor mij. Wat erin zit, bedoel ik. Of beter: ertussen. Kaaschocovleestomatenslakopcurrymosterdbasilicumhagelslagmuntblaadjesconfituurmetbosbessenofrabarber. Vanmorgen had ze gekozen voor tomaten en mozarella en basilicum. Ik rook het meteen terwijl ik de zak in mijn tas stopte. Dankjewel, zei ik.
Dankjewel wie, zuchtte ze.
Dankjewel schat, zei ik.
Elke morgen hetzelfde spel. Eerst de handen, dan de zak en de lieveling, dan de zucht en tenslotte de schat. Ze wil lieveling horen. Maar ik kán het niet. Het woord stinkt in mijn mond, wat zou ik het dan naar buiten duwen. De hele coupé vol zwarte zwavel. Iedereen in rook opgelost. Íedereen.
Misschien moet ik het toch maar eens proberen.
Maar ik heb er de moed niet toe. Ik ben namelijk een laf mens. Als er iets is wat ik de laatste maanden geleerd heb, is het dat.
Het is met ál mijn liefde klaargemaakt, zei ze.
Het zijn nooit de woorden. Het is de blik die bij die woorden hoort. Alsof ze het me kwalijk neemt. Dat het met al haar liefde is, bedoel ik. Terwijl ik er niet eens om gevraagd heb. Het mag best met de helft van haar liefde zijn. Of met een kwart.
En trouwens. Het is háár idee. Van het brood in de zak.

Ik weet wat ze wil.
Ze wil dat ik ook een ondoorschijnende zak voor haar bedenk. En liefst één elke ochtend. Maar ik ben niet zo’n mens die dat soort dingen onderneemt.
Ik heb het haar gevraagd.
Vanmorgen. Eindelijk vond ik de moed.
Waarmee wil je dat ik je verras? Schat?
Ze keek me zo verbaasd aan. Ach, lieveling toch.
Ik las het in haar ogen. Hoe graag ze me zag. En dat ze het eerlijk gezegd niet wist. Hoe ik haar kon verrassen. Bijna draaide ik weer mijn hoofd naar het raam, om haar te zien schitteren boven de velden. Bijna. Als ze verder gezwegen had.
Maar ze opende haar mond. Haar volle zoete lippen.
Trouw met mij, zei ze.
Trouw met mij, herhaalde ik.
Wat anders, zei ze.
Waarom in godsnaam, wilde ik vragen.
Ik wil zo graag kinderen, zei ze. Twee. Rosa en Boudewijn. Als in een sprookje.
Bijna trok ik aan de noodrem. Sprong ik eruit. Verdween voor altijd in de onnozele bleke velden. Ze legde haar hand op de mijne. De Lange Lindenweg, zei ze, daar is plaats genoeg voor ons allemaal.
Ze had gelijk, dat was nog het ergste.
Ik zei u al dat ik laf was. Ik zweeg.

Stel. Rosa en ik op het perron. Alleen. Zij wankelt even.

nieuwe lading

Hoihoi,

Ik vind de veranderingen en het vervolg van de tekst best leuk! Ik kan me er wel in vinden...
Hoe het juist zit met die witruimtes dat weet ik ook niet maar ik had de tekst gekopieerd naar word om af te drukken en daar stond ie weer goed dus...

Ik heb nog wat ontwerpjes gemaakt:

De eerste pagina heb ik een beetje aangepast (ik heb ook liever wat meer kleur) maar ik weet, het zit nog niet heel goed...
maar dan kan je al eens zien:




en dit is de pagina als de 2de keer 'Stel.' komt:




en deze is bij de 3de keer 'Stel.':




en deze pagina is een nieuw ontwerp voor pagina 2, als de jongen vertelt dat het de schuld is van zijn moeder... :



groetjes

maandag 4 februari 2008

Lelijke prins - begin en vervolg

Dag Nele,

ik heb het begin herwerkt en verder geschreven. Benieuwd wat je ervan vindt,
alle liefs,
Els.

ps wat ik niet snap: ik kopieer de tekst naar de blog en merk dat er telkens witregels tss de regels staan. Elke harde return geeft hier blijkbaar een witregel weer. Dat is niet mijn bedoeling! Enig idee hoe ik dit anders kan layouten op de blog?

Lelijke prins - Els Beerten

1.

Stel.

Rosa en ik op het perron. Alleen wij twee, verder geen kat.

Rosa staat bij de sporen. Haar voeten wankelen net voor de rand. Ik sta achter haar.

Het is allemaal de schuld van mijn moeder.

Ten eerste heeft zij me gemaakt. En ten tweede, ze heeft dat niet goed gedaan. Ik kwam er niet meteen achter. Jarenlang heb ik in elke spiegel gekeken die ik tegenkwam. Voor het geval de vorige loog. En de vorige vorige. Tenslotte had ik het door: ik was een lelijk jongetje. Het was geen opluchting.

Op elk potje past een deksel. Dat zei ze zo vaak dat ik het begon te geloven. Dat ik geen deksel had.

Die dag.

Rosa zag eruit als een filmster. In de trein kwam ze naast me zitten. Of ik een idee had hoeveel haltes nog.

Jazeker, zei ik.

Ze kwam van Brussel, zei ze, wat wist ze van de Kempen. En of ik elke dag de trein naar Brussel nam.

En weer terug ook, zei ik.

Jij bent van de Kempen, zei ze vrolijk. Dat komt goed uit.

Waarom, wilde ik vragen maar ik zweeg. Ik draaide mijn hoofd en keek weer verder door het raam naar buiten. Boven de velden zag ik haar gezicht naar me glimmen. Ik kon mijn ogen sluiten. Ik kon mijn krant lezen. Hardnekkig mijn nagels bestuderen. Opstaan en in de volgende coupé gaan zitten. Ik deed niks van dat alles. Ik bleef maar naar de velden kijken. Ik wilde haar zien glimmen, blinken, schitteren. Ze lichtte alles daarbuiten op, de onnozele bleke velden, de mislukte tuinhuizen onderweg, de scharminkels van kippen voorbij de sporen. Dat één mens dat kon. En dat die mens voor me zat.

Onze halte, zei ik.

Ze volgde me naar buiten, over het perron, door de voetgangerstunnel naar de parking, haar arm bijna door de mijne. Ik kreeg het er warm van, hoezeer ze me volgde.

Ze heette Rosa, zei ze. En of ik wist waar de Lange Lindenweg liep.

Jazeker, zei ik. Ik ben toch van hier.

Ze stak haar arm door de mijne. Of ik met de auto was?

Ik ben te voet, zei ik. De Lange Lindenweg?

Ze had er een huis geërfd.

Mijn uitleg omvatte zoveel omwegen dat ze me vroeg om met haar mee te lopen. Mijn naam is Boudewijn, zei ik.

Zoals de koning, zei ze.

Die is allang dood.

Maar jij niet, lachte ze.

En ondertussen liep ik naast haar door de velden, al mijn omwegen voorbij.

Ik vroeg me af hoe ík zou zijn. Als ik haar was, bedoel ik. Of ik mezelf ook zo zou vertrouwen, mijn arm door de hare, mijn lach in haar oor.

We sloegen de Lange Lindenweg in. Ondertussen wist ik dat ze a) enig kind was, b) enig kleinkind, c) haar grootmoeder net overleden was en d) zij het lege huis had geërfd met alles erop en eraan.

Je mag me kussen, zei ze toen we voor het lege huis stonden.

Ik zei niet dat ik lelijk was. Ik kuste haar.

En nu, vroeg ze.

En nu niks, zei ik.

Hoezo, en nu niks, zei ze, zo traag dat ik dacht dat haar hoofd was leeggelopen.

Als ze niet zo geglimlacht had.

Die avond.

Ik heb een lief, zei ik tegen mijn moeder.

Ach, zei mijn moeder. Ze haalde de duurste wijn uit de kelder, want het was feest voor haar jongen. Haar lelijke prins was in een sprookje gestapt.

Stel. Dat we daar zo staan bij de rand.

2.

Vanmorgen, onderweg naar Brussel.

Ze zat naast mij, haar handen in de mijne. Even voor Brussel opende ze haar tas. Dat doet ze elke ochtend, even voor Brussel. En zoals elke vorige ochtend diepte ze een ondoorschijnende plastic zak op uit haar tas. Je boterhammen, lieveling, zei ze.

De zak is altijd ondoorschijnend. Ze wil namelijk dat het een verrassing blijft voor mij. Wat erin zit, bedoel ik. Of beter: ertussen. Kaaschocovleestomatenslakopcurrymosterdbasilicumhagelslagmuntblaadjesconfituurmetbosbessenofrabarber. Vanmorgen had ze gekozen voor tomaten en mozarella en basilicum. Ik rook het meteen terwijl ik de zak in mijn tas stopte. Dankjewel, zei ik.

Dankjewel wie, zuchtte ze.

Dankjewel schat, zei ik.

Elke morgen hetzelfde spel. Eerst de handen, dan de zak en de lieveling, dan de zucht en tenslotte de schat. Ze wil lieveling horen. Maar ik kán het niet. Het woord stinkt in mijn mond, wat zou ik het dan naar buiten duwen. De hele coupé vol zwarte zwavel. Iedereen in rook opgelost. Íedereen.

Misschien moet ik het toch maar eens proberen.

Maar ik heb er de moed niet toe. Ik ben namelijk een laf mens. Als er iets is wat ik de laatste maanden geleerd heb, is het dat.

Het is met ál mijn liefde klaargemaakt, zei ze.

Het zijn nooit de woorden. Het is de blik die bij die woorden hoort. Alsof ze het me kwalijk neemt. Dat het met al haar liefde is, bedoel ik. Terwijl ik er niet eens om gevraagd heb. Het mag best met de helft van haar liefde zijn. Of met een kwart.

En trouwens. Het is háár idee. Van het brood in de zak.

Ik weet wat ze wil.

Ze wil dat ik ook een ondoorzichtige zak voor haar bedenk. En liefst één elke ochtend. Maar ik ben niet zo’n mens die dat soort dingen onderneemt.

Ik heb het haar gevraagd.

Vanmorgen. Eindelijk vond ik de moed.

Waarmee wil je dat ik je verras? Schat?

Ze keek me zo verbaasd aan. Ach, lieveling toch.

Ik las het in haar ogen. Hoe graag ze me zag. En dat ze het eerlijk gezegd niet wist. Hoe ik haar kon verrassen. Bijna draaide ik weer mijn hoofd naar het raam, om haar te zien schitteren boven de velden. Bijna. Als ze verder gezwegen had.

Maar ze opende haar mond. Haar volle zoete lippen.

Trouw met mij, zei ze.

Trouw met mij, herhaalde ik.

Wat anders, zei ze.

Waarom in godsnaam, wilde ik vragen.

Ik wil zo graag kinderen, zei ze. Twee. Rosa en Boudewijn. Als in een sprookje.

Bijna trok ik aan de noodrem. Sprong ik eruit. Verdween voor altijd in de onnozele bleke velden. Ze legde haar hand op de mijne. De Lange Lindenweg, zei ze, daar is plaats genoeg voor ons allemaal.

Ze had gelijk, dat was nog het ergste.

Ik zei u al dat ik laf was. Ik zweeg.

Stel. Rosa en ik op het perron. Alleen. Zij wankelt even.