Stel.
Rosa en ik op een perron. Alleen wij twee, verder geen kat.
Rosa staat bij de sporen. Haar voeten wankelen net voor de rand. Ik sta achter haar.
Het is allemaal de schuld van mijn moeder.
Ten eerste heeft zij me gemaakt. En ten tweede, ze heeft dat niet goed gedaan. Ik kwam er niet meteen achter. Jarenlang heb ik in elke spiegel gekeken die ik tegenkwam. Voor het geval de vorige loog. En de vorige vorige. Tenslotte had ik het door: ik was een lelijk jongetje. Het was geen opluchting.
Op elk potje past een deksel. Dat zei ze zo vaak dat ik het begon te geloven. Dat ik geen deksel had.
En toen kwam Rosa voorbij. Ze zag eruit als een filmster en ze vroeg me de weg. Mijn uitleg omvatte zoveel omwegen dat ze me vroeg om met haar mee te lopen. Ze heette Rosa, zei ze. Mijn naam is Boudewijn, zei ik.
Zoals de koning, zei ze.
Die is allang dood.
Maar jij niet, lachte ze.
En ondertussen liep ik naast haar door de velden, al mijn omwegen voorbij.
Je mag me kussen, zei ze toen we waren waar ze wilde zijn.
Ik zei niet dat ik lelijk was. Ik kuste haar.
En nu, vroeg ze.
En nu niks, zei ik.
Hoezo, en nu niks, zei ze, zo traag dat ik dacht dat haar hoofd was leeggelopen.
Als ze niet zo geglimlacht had.
Ik heb een lief, zei ik tegen mijn moeder.
Ach, zei mijn moeder. Ze haalde de duurste wijn uit de kelder, want het was feest voor haar jongen. Haar lelijke prins was in een sprookje gestapt.
Gaan we nu trouwen, vroeg Rosa na een maand kussen.
Trouwen?
Wat anders, zei ze. En daarna een huis. En twee kinderen. Een jongen en een meisje. Rosa en Boudewijn. Als in een sprookje.
Nee, zei ik.
Stel. Dat we daar zo staan bij de rand. Stel dat ik duw.